Honoré Colsen... een geboren leider

Hangend uit het raam van hotel Meert of hotel Kroon zien velen Honoré Colsen nog voor zich. Vragend, soms bijna schreeuwend om stilte. Om wat kracht bij te zetten werd dan even met z’n onafscheidelijke stok op de grond gestampt of wees hij ermee vooruit in de richting van de vaak boven Sluiskil hangende donkere wolken. Vanuit die raamopening sprak hij ieder jaar opnieuw tot de bejaarden, die ‘zijn’ reis net achter de rug hadden en enkele minuten eerder de bus hadden verlaten. Het was dan een drukte van jewelste! Fanfare, familieleden, maar ook veel jeugdigen waren op zo’n avond van de partij om mee te genieten van die uitbundige sfeer, die er altijd hing. Colsens toespraak, daar wachtte je op en daar liep je als Sluiskillenaar voor uit! 

Nicolaes Colsensone, geboortig uit Rosendaal, ongeveer 1375, was secretaris van Antwerpen van 1401 tot 1419, werd conseiller van de graaf en werd 30 november 1428 schepen van Antwerpen, in april 1431 ‘ecoutele’ van Turnhout en werd als schepen herkozen in 1436.. Vanaf deze tijd verandert de naam ‘Colsensone’ geleidelijk aan in de naam van ‘Colsen’. 

Als je in Sluiskil kortweg over ‘Colsen’ hoort praten, dan weet iedereen tegelijk wie er wordt bedoeld: Honoré Colsen, al tijdens zijn leven een begrip. Dat mag ook, want het was een bijzonder iemand! Iemand die het ontzettend goed meende met alles en iedereen, maar vooral met ‘zijn’ Sluiskil en ‘zijn’ Sluiskillenaren. Vooral kinderen en oude mensen hadden zijn hart gestolen. Hij was trots op zijn kleinkinderen. Vooral de oudste kleinzoon Theo had z’n hart gestolen. Maar ook andere kinderen zag hij graag. Je kon dat merken aan de manier waarop hij ze benaderde. Na een kort gesprekje stak hij z’n hand in z’n broekzak en haalde er een snoepje uit. Aan alle kanten zat tabak geplakt, maar dat hinderde niet! Het kind stak het maar al te graag in z’n mond! De moeders zagen deze beweging verschrikt aan en probeerden de kinderen af te leiden, bang als ze waren, dat het kind het al te vroeg aan z’n longen zou krijgen….

Colsen was een zuinig man! Bijna altijd kocht hij de oude spullen op, die een ander op dat moment als versleten bestempelde. Hij had voornamelijk oude gereedschappen. Bietenmolens, slijpstenen, kruiwagens, driewielkarren; alles had wel al eens elders z’n diensten bewezen. Ook prikkeldraad nam hij graag over. Hij kon alles gebruiken. Zijn werknemers waren praktisch allemaal oudere mensen: Wieske ‘Mon’ Coone, ‘Kromme Sijs’, Saar Coone, Free de Witte, Zij hebben allemaal voor hem gewerkt. Of hij deze mensen betaalde is niet zeker, waarschijnlijk kregen zij vlees in ruil voor hun hulp. Zijn personeel werd voornamelijk benut voor het opdrijven van losgebroken vee. Het tweedehandse prikkeldraad roestte namelijk vrij vlot weg en als er dan per ongeluk een koe tegenaan liep, was de kans groot dat het prikkeldraad afbrak en de koeien de wereld gingen verkennen…. 

Steeds vaker in zijn leven begon hij redevoeringen te houden. Hij deed dat op z’n jan-boerenfluitjes of het nou tegen een dorpeling was of tegen de minister. Z’n redevoeringen hadden zo hun eigen stijl, geestig en rondborstig, maar iedereen die hem een beetje kende, proefde de ernst, die in z’n woorden verscholen zat. Als hij iets op z’n lever had, dan kwam je dat al snel te weten. Hij draaide er niet omheen, maar vloog er ineens op af. Je wist dan ook meteen wat je aan hem had: je kreeg een pluim als je het verdiende, maar je kreeg een flink pak slaag als hij vond, dat je daar naar had gesolliciteerd. Hij kende maar

0én taal: de simpele waarheid, verpakt in plat Sluiskils met nog een tintje ‘Drools’. 

Honoré Colsen werd geboren in 1886 te Terhole (Drole). Het gezin Colsen telde twee meisjes en vier jongens. Zijn vader was empirist, één van die kleine groep leken die – opgeleid voor de bestrijding van de besmettelijke longziekte bij koeien in 1870 – de naam veearts mocht voeren zonder ooit een academische titel te hebben behaald. Zijn moeder noemde hij ‘een echte goeie moeder, maar ook een echte kapitein’. 

Op school was hij een grote kapoen, altijd haantje de voorste. Toch kon hij ontzettend goed mee. Zijn wens was dan ook ooit eens advocaat te worden. Het leren ging hem zó goed af, dat hij twee klassen in één jaar deed. Het jaar daarop werd hij vanwege zijn kwajongensstreken herhaaldelijk naar huis gestuurd. Hij zei er zelf over: “Ik kon ontzettend goed rijmen en dichten. Ik maakte een rijm op alle broeders. Maar ik was een deugniet. In plaats van mee te gaan met de wandeling, ging ik de kermis op. Op een gegeven moment werd ik voorgoed naar huis gestuurd.”

Honoré vertrok naar Dendermonde om een ambacht te leren. Daar ontfermde zich een slager over hem en gaf hem een bakfiets en een mes om vlees uit te benen. In 1905 moest slagersknecht Colsen voor z’n nummer opkomen in Bergen op Zoom. Ze maakten hem ordonnans van de kolonel en het viel hem al direct op dat er rare dingen in de keuken gebeurden. Er werd geknoeid met de voorraden. Goed vlees werd voor slecht vlees geruild en de menagemeesters gingen met ransels vol steekpenningen strijken. Op een maandag kwamen er kapucijners op tafel en het spek dat erdoor zat, was zo slacht dat geen hond het zou hebben gegeten. Hij zei toen: “Wat spek is hoeft niemand me te vertellen. Op een kilometer afstand rook ik dat het buffelspek was. We kregen oude Amerikaanse voorraden, geel, taai en vies in plaats van de verse partij die het rijk had moeten betalen. Daarom vertikten we het om ook maar één hap van die rommel te eten. De gamellen gingen allemaal vol terug naar de keuken.”

De volgende dag kwamen diezelfde kapucijners en datzelfde buffelspek weer op tafel. Het hele bataljon besloot om in hongerstaking te gaan, maar eten was dienst en de kapitein van de week kwam de kribben langs om de jongens tot de orde te roepen. Op dat moment trad ineens Colsen als door een wesp gestoken naar voren. “Kapitein”, zei hij, “er wordt in de keuken gezwendeld. Zolang we niet krijgen wat ons toekomt, kan niemand ons dwingen te eten.” Daar was deze kapitein het helemaal niet mee eens. Soldaat Colsen werd meegenomen en terwijl hij daar moedig zijn beschuldiging nog eens herhaalde, begonnen zijn makkers uit protest tegen zijn wegvoering oproer te kraaien. Er werden banken omver gesmeten, ruiten ingeworpen en binnen een paar uur was de hele kazerne in een chaotische bende herschapen. De krantenkoppen meldden: “Soldatenopstand in Bergen op Zoom!”

De provoost raakte vol en de krijgsraad maakte zich op om een voorbeeld te stellen. Tweeëntwintig jongens werden veroordeeld en ook Colsen moest een tijdje in de gevangenis doorbrengen. Hij werd uiteindelijk vrijgelaten en de krijgsraad gaf hem uiteindelijk zelfs nog een pluimpje!

In 1906 zwaaide Colsen af en hij vestigde zich als slager in Sluiskil. Hij was toen 21 jaar. Voelende, dat er naast hem een vrouw nodig was, liet hij z’n wakend oog eens over de Sluiskilse schonen gaan en uiteindelijk vond hij de vrouw met wie hij jarenlang lief en leed zou delen: Emma Amelia de Caluwé. Emma werd geboren in een café op Driekwart, maar verhuisde later naar Sas van Gent. Weer later verhuisde ze met haar ouders naar Sluiskil, waar een dubbele woning in de Nieuwe Kerkstraat werd betrokken.

Zijn zaak liep intussen als een trein en hij begon hoe langer hoe meer ingeburgerd te raken. Dit kwam al in 1908 sterk naar voren ! Toen in dat jaar de Minister Lelybrug door de minister zelf geopend zou worden, wandelde de jonge slager de vergaderzaal binnen, waar men probeerde een ontvangstcomité voor de hoge bezoeker samen te stellen. Hij mengde zich tussen het publiek en zag tot zijn verbazing hoe besluiteloos alles er toeging. Niemand wilde voorzitter zijn, want voorzitters houden toespraken en niemand durfde dat aan. Colsen werd als het ware innerlijk vooruit gestuurd en begon te praten. Korte tijd later was hij voorzitter.

Toen de minister en zijn gevolg bij de brug waren aangekomen, klom hij op de gereed staande verhoging en begon de minister toe te spreken. Het was in feite zijn eerste grote speech en hij stond er achteraf zelf van te kijken. Hij zei toen: “Het leek wel of op dat moment heel Sluiskil van mij was en ik praatte en praatte maar………….Het rolde zomaar uit m’n mond.” 

Toen hij zo’n jaar of tien in Sluiskil woonde, was hij zó populair, dat de bevolking hem vroeg of hij zich beschikbaar wilde stellen voor de gemeenteraad.

Colsen reed terug naar Sluiskil, plande een vergadering in café ´s Lands Welvaren en constateerde tevreden dat bijna geheel Sluiskil aanwezig was.Zelfs de armsten verklaarden zich garant voor een minimum afname, zoal300_lantaarnpaal_honor_colsen.jpgs de PZEM die voor de rentabiliteit nodig achtte. De PZEM durfde het aan.Op 1 juni 1922 werd de eerste paal de grond in geslagen. Dit in tegenwoordigheid van de Commissaris van de Koningin en de burgemeester van Westdorpe. De burgemeester van Terneuzen was ´uiteraard´ niet uitgenodigd. Colsen zei er zelf van: De PZEM”-centrale stond hier. In alle achterhoeken tot in Boschkapelle had men licht. De arme mensen zouden het maar zo-zo kunnen opbrengen, maar ze tekenden allemaal. Het eerste jaar hadden we zelfs al tienduizend gulden meer verbruikt, dan waar we voor hadden getekend. "Door eigen kracht tot stand gebracht". Maar mét Vermeulen, want dat was die tijd mijn rechterhand!” Als aandenken werd een bordje op de lantaarnpaal tegenover het snoepwinkeltje van Blondine getimmerd. Tijdens de kanaalverbreding moesten paal en bordje het veld ruimen. Het bordje kon voor Sluiskil worden behouden en siert nu de lantaarnpaal bij de R.K. Kerk. 

Met de oorlog brak er een benauwde tijd aan. In 1941 werd de voltallige Terneuzense Raad afgezeten na een toespraak van de burgemeester mocht Colsen als nestor met het grootst aantal ambtsjaren ook nog even het woord voeren. Het werd een rede zo fel als een steekvlam! De dag daarop werd Colsen door de Duitsers opgepikt en flink afgeranseld. Toen hij weer vrijkwam, kreeg hij een briefje van de nieuwe N.S.B.-burgemeester, die Colsen voor een gesprek uitnodigde. Hij ging niet.

Een week later viel er een tweede, veel scherpere brief in de bus. Hij trok er zich weer geen steek van aan en ging weer niet. Toen duurde het niet lang of er stonden twee politiemannen op de stoep, die hem bij de N.S.B.-burgemeester afleverden. Colsen kwam binnen en zei: “Eén ding, waarde heer, ik noem u geen burgemeester. Ik zal meneer blijven zeggen.” Het antwoord daarop was: “Och, u bent dat gewezen raadslid dat het zo bont heeft gemaakt!” Colsen antwoordde: “Pardon! Ik ben nog raadslid!” “Goed, goed”. suste hij, “ik zal u tot mijn speciaal adviseur voor Sluiskil benoemen.” “Nooit”, riep Colsen uit, “of ze zullen er in het dorp over moeten stemmen.” Dit gebeurde uiteraard niet en de Ortscommandant werd erbij geroepen. Die blafte hem af met: “Als er hier iets gebeurt, ben jij de eerste die eraan gaat!” Waarop Colsen weer: “Als ik dan toch voor Sluiskil moet sterven, dan zou ik graag willen, dat dat midden op het dorpsplein gaat geschieden.”

Toen alles op de bon ging, moest ook Slagerij Colsen worden gesloten. Het duurde echter niet lang of er vond iedere maandag een noodslachting plaats. Toevallig stikte er vlak na het weekend iedere keer een koe in een aardappel. Voor dit vlees waren geen bonnen nodig. Met medeweten en de goedkeuring van dokter Brons werd iedere keer opnieuw een koe de hals afgesneden, waarna er een aardappel in werd gestopt….. 

Op 22 april 1950 werd Colsen benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau voor zijn verdiensten op velerlei terrein. Zelf dacht hij dat het vooral voor zijn gedrag tijdens de oorlogsjaren was.

Ook tijdens de watersnood in 1953 liet Colsen van zich spreken. Op de ochtend na de ramp ging hij bij de brug van Sluiskil staan en hield alle auto´s tegen, die richting Terneuzen reden. Er was namelijk vervoer nodig voor al die mannen, die met de schop in de nek de dijken rondom Terneuzen gingen versterken. Het waren veelal Belgische auto´s, waarvan de bestuurster een bontjas droeg of de bestuurder een net pak. Als men op Colsens verzoek niet genegen was de mannen mee te nemen, dan stuurde hij ze zonder pardon terug in de richting van Zelzate…….. 

Het initiatief voor de jaarlijks terugkerende bejaardenreis kwam van…. Honoré Colsen. In 1921 gingen de bejaarden voor de eerste keer op reis. Er werd vertrokken met drie auto´s en de bus van Scheele, die gestald stond in de Louisastraat (tot voor kort de Renaultgarage van Frans Groosman). Onderweg moest twee keer worden gestopt omdat de bus het begaf. Via Sas van Gent ging de tocht toen naar Westdorpe, Zuiddorpe, St. Jansteen en Hulst. Via Stoppeldijk werd naar Zaamslag gereden, alwaar in een café iets werd gedronken. Vandaar ging het terug richting Sluiskil. Veertig jaar lang is Colsen voorzitter van het Comité Bejaardenreis geweest. Zo ook in 1953 toen tijdens de jaarlijkse reis de bussen aan de grens bij Baarle Nassau werden tegengehouden. Volgens de douaniers beschikten ze niet over de vereiste papieren. “Wat, papieren”, gromde Colsen, “wie zegt dat we er nog meer moeten hebben?” Dat bleek een meneer uit Den Haag te zijn. Colsen aarzelde niet en pakte de telefoon. “Met Colsen”, echoode het een ogenblik later aan de andere kant van de lijn. “Ha, die Colsen, hoe gaat het?” klonk het opgewekt terug. Vijf minuten later werd de vereiste toestemming verkregen. “Voor mij hoeft ge geen respect te hebben”, zei Colsen tegen de douanier die hem moest doorlaten, “maar voor m´n lintje kunt ge toch minstens wel in de houding gaan staan!” 

Na de bevrijding werden - na een belofte van de koningin en minister Van Schaik - de veren over de Westerschelde geheel vrij. Zeeuws-Vlaanderen was door de oorlog namelijk zeer zwaar getroffen, vormde een uithoek van Nederland en diende in z’n wederopbouw op geen enkele manier te worden belemmerd. In 1949 al volgde de eerste aanslag op het principe van de ‘vrije veren’ toen besloten werd voor auto’s en eersteklaspassagiers een beperkt tarief in te voeren. Hoewel niet graag, legden de Zeeuws-Vlamingen zich hierbij neer. Toen men twee jaar later aanzienlijke verhogingen in wilde voeren, werd door de Staten van Zeeland verzet aangetekend: de bestaande regeling diende niet te worden aangetast. In 1957 werd deze motie echter ingetrokken om met de minister te kunnen onderhandelen. Deze onderhandeling was nodig omdat de verkeersstroom sterk was toegenomen, de wachttijden steeds langer werden en het materiaal ontoereikend was. Na langdurige onderhandelingen zwichtten toen GS en de Kamer van Koophandel en in ruil voor sterk verhoogde tarieven wilden zij betere veerverbindingen. Toen kwam men binnen Zuuews-Vlaanderen in opstand. St. Jansteen, Koewacht, Sluiskil en kleine grensplaatsen met een bevolking van veeboeren, vlasbewerkers en landarbeiders het eerst. Op vele plaatsen werden kleine commissies gevormd, maar men begreep, dat Zeeuws-Vlaanderen één comité moest vormen, wilde men wat bereiken. Dadelijk begreep men, dat er in de streek maar één man was die kon helpen: Honoré Colsen. Het Comité van de Vrije Veren werd opgericht en Colsen werd tot voorzitter gekozen. Colsen spreekt voor het eerst in café Meert, daarna in Oostburg en vervolgens overal. Het volk stroomt toe, luistert en juicht. Midden in de protestactie eist Colsen het aftreden van de Kamer van Koophandel, de Provinciale Staten en van iedereen, die voor de tariefsverhoging is. Vice-voorzitter Colijn uit Oostburg dicht een Vrije-Verenlied, dat op de scholen wordt ingestudeerd met de bedoeling dit ook tijdens de actiedag op het Binnenhof ten gehore te brengen. Deze actiedag wordt gepland op vrijdag 13 juni 1958… 

Op de morgen van de dertiende juni liepen ’s morgens vroeg al enkelen door Hulst met een kalkpot in de hand., leuzen schilderend op iedere geschikte plek. Een galg met daaraan iets wat op een persoon leek, kreeg de naam Algera. Rond zeven uur verzamelden de deelnemers voor de protestmars zich op de markt. Langzaamaan groeide het aantal auto’s en rond acht uur zette Colsen zich in de vuurrode veewagen van adjudant Van Esbroek aan de kop van de stoet en gaf het sein tot vertrek. Zo’n vijfhonderd auto’s koersten richting Den Haag. Op het Binnehof aangekomen, deed de kreet “Al-ge-ra, Al-ge-ra” het Binnenhof trillen op z’n grondvesten. Intussen was het comité met Algera om de tafel gaan zitten en er volgde een bespreking van 47 minuten. De duizendkoppige menigte bleef leuzen roepen, totdat Colsen voor een raam verscheen. Hij zei kort: “Het onderhoud is tegengevallen.”Hij huilde en verdween in de gangen van het Binnenhof. Zijn comitéleden hielpen hem de trappen af. Politiemannen moesten de oude Colsen, die een vermoeide indruk maakte, beschermen. Hij werd in een jeep gehesen en centimeter voor centimeter vooruit komend reed hij richting malieveld. Teruggekomen in Hulst wachtte een duizendkoppige menigte hem op. Hij sprak het volk toe en zei: “Ons volgend actiepunt is het opstellen van een motie tegen GS, de Provinciale Staten en de Kamer van Koophandel.Zij hebben tenslotte Zeeuws-Vlaanderen verraden.”Een dag later werd zo’n zelfde meeting in Sluiskil gehouden. Op 9 juli 1958 werd de verenkwestie besproken in de Tweede Kamer en hier bleek, dat het ministeriële beleid in de ogen van de Tweede Kamer geen genade vond. De discussies waren vrij gepeperd en alle fracties waren tegen. De minister wilde echter van geen wijken weten. Colsen verloor zijn strijd……… 

Toen de Minister Lelybrug gedoemd was te verdwijnen, liet Colsen uiteraard ook van zich horen: “Het verdwijnen van de brug is de doodsteek voor Sluiskil. De vele prachtige zaken, die moeten verdwijnen, zullen nooit meer terugkomen.”

Honoré Colsen kreeg Rijkswaterstaat zover dat hem een stuk arduinsteen werd beloofd, afkomstig uit de pijlers van de oude brug. Dit stuk steen moest dan een ereplaats krijgen in het centrum van het dorp. De namen van de vier mensen die een belangrijk aandeel hadden in de totstandkoming van de brug (minister Lely, S. Lammers, G. Kooman, T. Fermont) zouden in het stuk steen worden ingebeiteld. Ook het naambord voor de brug borg hij veilig op. 

In 1971 tracht Colsen de naam van het Ir. Lelyplein te veranderen in het Minister Lelyplein. Dit omdat Lely niet als ingenieur, maar als minister handelend heeft opgetreden. Z’n laatste handeling is misschien wel het uitlokken van een bekeuring omdat de wegen door groenoord voor fietsers werden afgesloten. Hij was toen al 93 jaar.  300_honor_colsen_klein.jpg

Op 26 april stierf Colsen op 94-jarige leeftijd. Al in augsutsu van het jaar daarop, werden de eerste Gildefeesten geopend door middel van het onthullen van het naambord, dat Colsen op zijn eigen weide zou herdenken. Burgemeester Ockeloen onthulde het ‘Honoré Colsenhof’, terwijl een zoon van Colsen het lint doorknipte en een koe een groene plaat produceerde, warmee de straat voor geopend werd verklaard. Een burgemeester bracht hulde aan een burgemeester, want zo werd Colsen al jarenlang genoemd: Burgemeester van Sluiskil. Zelfs in Den Haag werd hij zo gezien. Colsen genoot landelijke bekendheid. Overal kende men hem op de manier zoals wij hem nog steeds in onze gedachte voor ons zien. Overal kwam hij op diezelfde manier over. Zelfs de landelijke dagbladen beschreven hem op een manier, die in feite ongekend was: ‘Een oude man met een zwartbruin verbrand  en gegroefd gelaat, gekleed in een voddiger pak, vol vlekken en met een altijd scheefzittende boord. Voeg daarbij zijn twee onafscheidelijke attributen pet en pijp en je hebt hem ten voeten uit: Honoré Colsen.